donderdag 21 juni 2007 – 09u30 (plaatselijke tijd) Het schip ging voor anker bij de verzande monding van een waterloop die ooit van levensbelang was voor de achterliggende gebieden. De kano's werden klaargemaakt om zo ver mogelijk het land in te trekken, het gedrag van de lokale bevolking te observeren en hun gebruiken neer te schrijven. De Gerards-missie werd later door procesfanatici als "uniek in zijn soort" omschreven. Gelukkig zag niet iedereen het op die manier. Daar is de 2-jaarlijkse humorprijs die TeleAtlas ons voor deze uitspatting gaf het bewijs van. Het is een trofee die ieder van ons als het hoogst haalbare beschouwt... wel, naast het naspelen van een metalica-concert op het laadvlak van een vrachtwagen op de Parijse Périphérique, natuurlijk (en daarbij de file der files creërend). De expeditie begon met tegenslag. Niet alleen was het water te ondiep om er met de zwaar beladen kano’s doorheen te peddelen (achter ons aan trekken ging nog net), de doorgang naar het binnenland bleek uiteindelijk ook afgesloten (dijk en betafence). Gelukkig hadden we onze wapens (kniptang) bij, waardoor een uitbraak over land in de richting van een kanaal dat niet op onze kaart stond mogelijk was. (opmerking voor een volgende operatie: wieltjes onder kano's monteren, en reflexspray voorzien). De eerste contacten met de bevolking waren we nog wat onwennig, maar naarmate de dag vorderde waren we niet meer de Limburgse rijkeluizoontjes met een aaneenrijging van desastreuze examens achter de rug. Neen, toen waren we reeds 16de eeuwse Maya’s die aan de hand van originele kaarten op zoek waren naar vaste grond om van daaruit de Spanjaarden een koekje van eigen deeg te geven. (Noot: De historici onder jullie weten natuurlijk dat uiteindelijk niet voor deze streek gekozen werd, en dat de strijd vanuit Baskenland nog steeds verder gaat.) Niet iedereen bleek onze klederdracht van op de oever te herkennen (bijziendheid komt steeds vaker voor). "Vroeg Carnaval" werden we genoemd. We begrijpen dat benamingen wel eens van streek tot streek willen verschillen, en Joris had een nonkel die Robert heette maar Steve genoemd werd. Wat we niet begrepen was de cirkelvormige beweging die sommigen rond hun oor maakten, maar we zwaaiden toch vriendelijk terug en gooiden VN-voedselpakketten die in Antwerpen 'van de boot gevallen waren' en we via pater Dirk hadden gekregen, "voor de missie". We wisten dat het zeer waarschijnlijk was dat het landschap sinds de druk van de kaart grote wijzigingen ondergaan zou hebben. Dat steden kilometers verder uit elkaar verplaatst zouden zijn hadden we echter niet ingecalculeerd, dhr. Gerards had ons 'bij ons pietje'. De eerste etappe, die een opwarmertje had moeten zijn nam uiteindelijk een hele dag in beslag. We sloegen op een boogscheut van de eerste stad op onze route de tenten op. 's Morgens (11u is technisch gezien nog steeds 's morgens) stuurden we de kano's door de vestingsgracht naar de westelijke kant van de stad om van daaruit België binnen te varen. Van hieruit zouden we nog slechts 2 obstakels op onze weg tegenkomen. De eerste was de moesson waar we over de middag doorheen moesten. 't was een Duitse moesson, die is mooier, maar even nat. Het duurde een eeuwigheid voor ik de kap uit de kraag van m’n k-way kreeg, en hozen met een wegwerpboodschappenzakje is ook niet aangeraden. Toen we eindelijk een brug voor ons zagen opdoemen bleek... dat geen brug maar de dijk van een kruisend kanaal. Even dachten we er aan het landschap historisch te corrigeren, maar na de ontmoeting met een betonnen keermuur en 2 gebroken spades besloten we van de doorsteek een oversteek te maken, tekenden het kanaal bij op onze kaart en lieten de foutenlast van tekenaar Gerards aangroeien. Niettemin, wie kanaalkruispunten uitvond mag zich eens 'komen voorstellen', samen met degene die op het lumineuze idee kwam om boodschappenzakjes van gaatjes te voorzien. En er moeten echt wel wielen onder die kano's. Bij de volgende stad die we voorbij peddelden werden effectief stadswallen historisch heraangelegd, maar voor onze kaart was dat nog de toekomst, de man 'die iets zoekt in zijn binnenzak' hangt ergens tussen toen en nu. De belangrijkste vaststelling was echter dat de zon doorbrak, eerst dampend, dan in alle hevigheid. Een verbrand bovenlijf was een zekerheid, dus brachten we de strijdstrepen met kleefband aan. Het was een unieke gelegenheid om nog eens voor de negatief-versie te gaan. Het rood was net uit zijn ontkenningsfase toen we dé toren van ons einddoel recht voor ons uit zagen. Een uur later stapten we triomfantelijk door 'de stadpoort die er niet meer is'. Vlug (en schreeuwend) werd het kleefband verwijderd. Op naar het stadhuis... hier klopte de kaart tenminste... maar de blauwbloezen ook, en later de withemden. + dé kaart |